Een jaar of wat geleden kwam ik stomtoevallig bij een volstrekt onschuldig bordspelletje op het internet (jijbent.nl) een man tegen. En wat ik anders nooit wil bij spelletjes: ik raakte met hem aan de praat. Toen deze man te horen had gekregen dat hij de ziekte van Parkinson had, vlak nadat zijn vrouw bij hem weg was gelopen, dacht hij dat zijn leven wel zo ongeveer afgelopen was.

Ik vond dat onzin. Alleen omdat je wat loopt te bibberen, wil dat natuurlijk niet zeggen dat je geen leuke dingen meer kunt doen, of zelfs een relatie beginnen. Om te bewijzen dat ik gelijk had, begon hij een relatie met mij. Dat heeft best lang geduurd, we hebben het ook heus heel leuk gehad samen, hij heeft ook heel veel voor mij gedaan (en ik wellicht voor hem), maar uiteindelijk ging het niet meer goed. Zoals dat wel vaker gaat natuurlijk.

Hoewel we de relatie niet hebben beëindigd omdat hij Parkinson had, was het wel extra lastig, juist omdát hij Parkinson had. Uit elkaar gaan is voor gezonde mensen al vervelend, maar als je iemand die ziek is en ervan overtuigd dat hij nooit meer iemand anders zal vinden (en daar trouwens ook geen enkele moeite voor doet, maar dat terzijde) achterlaat, dan voelt dat wel als een behoorlijke last.

Dus vandaag heb ik iets voor hem teruggedaan.

 

Ik heb meegedaan aan een onderzoek in het UMCG (Groningen), afgenomen door Joyce Weersink en Sebastian (uit Mexico), waarbij gekeken werd naar de communicatie tussen hersenen en spieren bij het starten van en tijdens het lopen. Parkinson-patiënten hebben namelijk vaak problemen met ‘loskomen’ van de vloer.

Eigenlijk had ik iets meer discretie verwacht, maar nee, ik heb een aantal keren in deze bionische outfit een ziekenhuisgang op en neer gewandeld. En dan vooral verplegend personeel tegenkomen, dat ofwel met moeite een gezicht trekt alsof ze het volstrekt normaal vinden, ofwel gelijk uitbarst in een spontane brede grijns.
Ook reden er een paar bedden voorbij met daarin patiënten die opgelucht adem haalden en waarvan je van hun gezichten kon aflezen dat ze dachten: “Oh kijk, het kan altijd nog erger dan wat ik heb!”

Omdat ik thuisgekomen direct weer aan het werk moest, heb ik zo’n beetje de hele middag stukjes gel (waarmee de elektroden op mijn hoofd waren bevestigd) uit m’n haar zitten peuteren. Ik zal zo eerst even stofzuigen en het tafelkleed uitkloppen…

Het was overigens echt leuk om te doen. En het geeft je dat prettige gevoel dat je iets voor de mensheid kunt betekenen. Daar hou ik wel van.
En anders kan ik altijd nog op waterpolo. Zo’n cap staat me toch enig?

Léia

Advertenties